Schaarse vergunningen

Voor gemeenten

Onze handreiking voor burgemeesters, raadsleden en beleidsambtenaren: regie op coffeeshopbeleid zonder onnodige schaarste.

Onderdeel van: Schaarse vergunningen

Onze handreiking voor burgemeesters, raadsleden en beleidsambtenaren: regie op coffeeshopbeleid zonder onnodige schaarste.

Download als PDF

Regie op coffeeshopbeleid zonder onnodige schaarste. Begin niet bij de vraag hoe schaarse posities moeten worden verdeeld, maar bij de vraag waarom een gemeente die schaarste met een numeriek maximum creëert — en of dat noodzakelijk is.

Gemeentelijke regie blijft mogelijk

Gemeenten hebben ruimte om coffeeshopbeleid te voeren en te sturen op openbare orde, het woon- en leefklimaat, spreiding en de voorwaarden waaronder coffeeshops worden geëxploiteerd. Die bevoegdheid staat voor ons niet ter discussie. Wat wij wél aan de orde stellen, is de vanzelfsprekendheid waarmee een numeriek maximum als het passende instrument wordt gezien. Een maximum is één mogelijke keuze binnen de gemeentelijke beleidsruimte, en niet de enige manier om grip te houden op locatie, spreiding en exploitatie.

Wat de VNG schrijft

De VNG waarschuwt in de inleiding van haar handreiking dat door de ontwikkeling van de rechtspraak gemakkelijk de indruk kan ontstaan dat het voor de praktijk een gegeven is dat vergunningen schaars zijn. Daarover schrijft de VNG letterlijk: “Niets is echter minder waar.” Vergunningstelsels berusten op regelgeving en beleid en vergunningen zijn de uitkomst van expliciete keuzes over de inrichting en uitvoering van het stelsel. Gemeentebesturen hebben beleidsruimte en kunnen in beginsel kiezen voor een vergunningstelsel of voor een andere vorm van normering, zoals algemene regels en meldingen.VNG Handreiking Schaarse vergunningen (2024), inleiding, p. 5

Onze conclusie

Dat is precies ons vertrekpunt: schaarste is niet het vertrekpunt. De inrichting van het stelsel is een gemeentelijke beleidskeuze.

Schaarste is geen gegeven.

Begin bij het doel, niet bij het maximum

Een numeriek maximum is een beleidsinstrument en geen beleidsdoel op zichzelf. Een maximumaantal, een bepaalde spreiding of het voorkomen van concentratie is niet zonder meer het achterliggende publieke doel. De relevante vraag is welk concreet belang wordt beschermd — bijvoorbeeld de openbare orde of het woon- en leefklimaat — en welk feitelijk probleem zich daarbij voordoet. Pas wanneer dat probleem is vastgesteld, kan worden beoordeeld of een numeriek plafond een geschikt instrument is om het op te lossen.

Een maximum is een beleidsinstrument, geen beleidsdoel. Een maatregel kan moeilijk noodzakelijk worden genoemd voor het oplossen van een probleem waarvan aard, omvang en oorzaak niet eerst concreet zijn vastgesteld.

Een numeriek maximum is een instrument waarmee een gemeente haar beleidsdoel probeert te bereiken. Bij de vaststelling en toepassing van beleid gelden de algemene eisen van zorgvuldige voorbereiding (art. 3:2 Awb), deugdelijke motivering (art. 3:46 Awb) en evenredigheid (art. 3:4, tweede lid, Awb). Daarbij kan onder meer relevant zijn welk doel met het maximum wordt nagestreefd, op welke feiten en omstandigheden het berust en welke gevolgen eraan worden verbonden.

Bij de beoordeling van evenredigheid kunnen geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid relevante gezichtspunten zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft die benadering uitgewerkt in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285); de conclusie van A-G Widdershoven van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1847) biedt daarvoor een analytisch kader en is geen uitspraak. Wat die gezichtspunten gemeenschappelijk hebben, is dat eerst duidelijk moet zijn welk probleem moet worden opgelost.

Een probleem noemen is nog geen onderbouwing voor een maximum

In coffeeshopbeleid worden regelmatig openbare orde, straathandel, drugstoerisme, ondermijning, illegale teelt of aantasting van het woon- en leefklimaat genoemd. Dat zijn reële thema’s. Daarmee is echter nog niet aangetoond dat het aantal coffeeshops de oorzaak van dat probleem is.

Voor een overtuigende onderbouwing is daarom relevant welk verband bestaat tussen het gestelde probleem en het aantal verkooppunten, en waarom een beperking van dat aantal naar verwachting aan de oplossing van dat probleem bijdraagt.

Het noemen van een maatschappelijk probleem en het vervolgens vaststellen van een maximum vormt nog geen dragende motivering. Er moet inzichtelijk worden gemaakt waarom juist het aantal coffeeshops op dat probleem van invloed is en waarom een numerieke beperking daarop effectief aangrijpt.

Achterdeurproblematiek onderbouwt niet automatisch een plafond

Illegale teelt en illegale bevoorrading hangen nauw samen met de achterdeurproblematiek: de verkoop aan de voorkant wordt gedoogd, terwijl de bevoorrading buiten het experiment niet op dezelfde wijze is gereguleerd. Het bestaan van illegale teelt of illegale bevoorrading vormt zonder nadere analyse daarom geen onderbouwing voor een beperking van het aantal coffeeshops. Daarvoor is relevant welk verband bestaat tussen het aantal verkooppunten en het probleem dat met de beperking wordt bestreden.

Daarbij hoort een tweede controlevraag. Het verminderen van het aantal verkooppunten vermindert de consumentenvraag naar cannabis niet automatisch. Wanneer de vraag gelijk blijft, moet daarom worden onderzocht of beperking van het gedoogde verkoopkanaal het probleem daadwerkelijk vermindert of de vraag juist gedeeltelijk naar andere verkoopkanalen verplaatst. Dat is geen vaststaande economische wetmatigheid, maar wel een vraag die bij zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering beantwoord moet worden.

Historisch gegroeide maxima verdienen een nieuwe beoordeling

In veel gemeenten bestaan maximumaantallen al decennialang. Die aantallen zijn in het verleden vastgesteld vanuit overwegingen van openbare orde, bescherming van het woon- en leefklimaat en de handhaafbaarheid van het lokale gedoogbeleid. Sommige maximumaantallen zijn gebaseerd op historische beleidsuitgangspunten, regionale richtlijnen of kengetallen die al lange tijd worden gebruikt. De wijze waarop die aantallen tot stand kwamen, was daarmee niet altijd gebaseerd op een expliciete, objectieve analyse van de actuele lokale situatie.

Vervolgens zijn deze aantallen jarenlang als vast gegeven onderdeel van het lokale beleid gebleven. Door de ontwikkeling van de rechtspraak kunnen de gevolgen van zo’n maximum inmiddels aanzienlijk zijn. Als een gemeente het aantal gedoogverklaringen maximeert, kan daardoor feitelijke schaarste ontstaan. Die schaarste is dan het gevolg van een door de gemeente gemaakte beleidskeuze en niet van een rechtstreeks uit de Dienstenrichtlijn voortvloeiende verplichting. Juist daarom is het van belang om vóór het vaststellen of voortzetten van een maximum eerst terug te gaan naar de vraag waarom dat maximum nodig is. Een historische keuze is immers niet automatisch een actuele, objectieve onderbouwing.

Wat de VNG schrijft

De VNG noemt een vast plafond dat door een bestuursorgaan wordt ingesteld met het oog op een algemeen belang expliciet beleidsmatige schaarste: het beperken van een activiteit tot een bepaald aantal is een bewuste beleidsmatige keuze.VNG Handreiking Schaarse vergunningen (2024), par. 2.2.1

Onze conclusie

Toegepast op coffeeshopbeleid maakt dit het relevant om bij herziening van coffeeshopbeleid niet alleen naar de verdeling van beschikbare posities te kijken, maar ook naar de uitgangspunten waarop het maximum zelf berust.

Daarbij past een nadere opmerking over richtlijnen en kengetallen. Regionale richtlijnen, inwonerratio’s en historische vuistregels kunnen informatie bieden bij beleidsvorming, maar bepalen niet zonder meer het gekozen maximum. Een niet-bindende richtlijn wordt niet door jarenlang gebruik alsnog een juridische noodzakelijkheid. Wanneer een gemeente bijvoorbeeld werkt met een verhouding tussen inwonertal en aantal coffeeshops, moet worden uitgelegd waarom die verhouding geschikt is voor de lokale situatie, op welke gegevens zij berust en welk beleidsdoel daarmee aantoonbaar wordt bereikt.

Eerst onderbouwen, dan pas maximeren.

Begin bij de beleidskeuze, niet bij de verdeling

De discussie begint in de praktijk vaak te laat. Zodra een maximum als gegeven wordt aangenomen, gaat het al snel over looptijden, selectiecriteria, loting en de wijze waarop beschikbare posities moeten worden verdeeld. Daarmee wordt een eerdere en fundamentelere vraag overgeslagen: waarom heeft de gemeente überhaupt voor een numeriek plafond gekozen, en waarom is juist dát aantal noodzakelijk, geschikt en evenredig?

In de voor dit dossier onderzochte uitspraken lag de nadruk vooral op de juridische gevolgen van een bestaand maximumstelsel. Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat daarmee ook de onderbouwing van ieder bestaand maximum als zodanig is beoordeeld. Dat onderscheid is van belang: uit rechtspraak over de gevolgen van een bestaand maximum volgt niet dat ieder historisch gegroeid maximum daarmee inhoudelijk gerechtvaardigd is.

Een maximum vraagt om een actuele en toetsbare onderbouwing

Artikel 3:2 Awb verlangt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Algemene beleidsuitgangspunten, historische aannames of de enkele verwijzing naar bestaand beleid zijn daarvoor niet zonder meer voldoende. Er moet concreet inzichtelijk worden gemaakt op welke gegevens het gekozen maximum berust en hoe dat aantal zich verhoudt tot de actuele lokale situatie.

Artikel 3:46 Awb verlangt daarnaast een deugdelijke motivering. Wanneer een maximumstelsel ingrijpende gevolgen krijgt, moet de motivering aansluiten bij de feiten en duidelijk maken hoe de gemaakte keuzes bijdragen aan de doelstellingen van het beleid.

Ten slotte vereist artikel 3:4, tweede lid, Awb dat de nadelige gevolgen voor belanghebbenden niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Naarmate de gevolgen voor bestaande ondernemingen zwaarder zijn, neemt het belang van een draagkrachtige motivering en een kenbare belangenafweging toe. Daarbij hoort ook de vraag of minder ingrijpende maatregelen niet volstaan.

Wat de VNG schrijft

Ook de VNG behandelt het plafond niet als een uitvoeringsdetail. In de paragraaf over het aantal beschikbare vergunningen schrijft de handreiking dat het aantal beschikbare rechten onderdeel is van de inrichting van het stelsel en moet worden bezien vanuit de belangen die het stelsel beoogt te dienen.VNG Handreiking Schaarse vergunningen (2024), par. 5.4, p. 34–35

Onze conclusie

Dat sluit rechtstreeks aan bij onze Awb-onderbouwing. Een gemeente die een bestaand maximum handhaaft of een nieuw maximum introduceert, moet kunnen uitleggen welk doel daarmee wordt bereikt, waarom beperking van het aantal daarvoor geschikt en noodzakelijk is en waarom een minder ingrijpende inrichting niet volstaat. Het aantal is dus geen gegeven dat buiten de discussie valt, maar een te motiveren onderdeel van het stelsel zelf.

Een conclusie is nog geen motivering

Zinnen als “dit aantal biedt een goede balans”, “hiermee wordt voldoende in de lokale behoefte voorzien” of “zo blijven negatieve effecten beheersbaar” kunnen de uitkomst van een beleidsafweging beschrijven, maar vormen zonder onderliggende analyse nog geen motivering. Zij benoemen het resultaat, niet de redenering die daartoe leidt.

Een deugdelijke motivering maakt die redenering zichtbaar: welke gegevens zijn gebruikt, welk verband is vastgesteld, welke alternatieven zijn onderzocht en waarom volgt daaruit juist dit aantal? Dat is wat artikel 3:46 Awb verlangt. Een beleidsstuk dat uitsluitend de uitkomst vermeldt, stelt de raad en belanghebbenden niet in staat die afweging te controleren.

Kijk naar wat er werkelijk gebeurt

De noodzakelijkheid van een maximum moet niet alleen uit beleidsdocumenten blijken, maar ook kunnen worden getoetst aan de werkelijkheid. Wanneer gedurende langere tijd een groter aanbod heeft bestaan zonder dat de negatieve effecten waarop het maximum is gebaseerd aantoonbaar zijn opgetreden, is dat relevante informatie voor de noodzakelijkheid en proportionaliteit van het plafond.

Omgekeerd kan concrete, gedocumenteerde overlast juist een relevante feitelijke onderbouwing vormen. Het uitgangspunt is niet dat een maximum nooit kan worden onderbouwd, maar dat het beleid op actuele feiten moet rusten en niet uitsluitend op aannames. Artikel 3:2 Awb verlangt dat die feiten daadwerkelijk worden vergaard voordat het besluit wordt genomen.

Wat schaarste wél en niet betekent

Wanneer een gemeente door maximering schaarste creëert, brengt dat juridische verplichtingen mee. Dat is iets anders dan zeggen dat de gemeente daardoor verplicht is bestaande coffeeshops periodiek opnieuw te verdelen.

Het gelijkekansenbeginsel ziet op de verdeling van schaarse publieke rechten. Daarbij hoort een passende mate van openbaarheid, die juist tijdig voorafgaand aan de verdeling moet worden geboden, zodat belangstellenden kunnen meedingen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft voor gemaximeerde gedoogverklaringen bovendien geoordeeld dat het gevolg van het beperken van het aantal gedoogverklaringen, waardoor deze schaars worden, is dat zij een beperkte looptijd moeten hebben (ABRvS 30 april 2025, Heerlen, ECLI:NL:RVS:2025:1925).

Heerlen zegt daarmee niet dat alle bestaande coffeeshopposities periodiek door loting opnieuw moeten worden verdeeld. De wijze waarop een gemeente binnen haar beleidsruimte met de door haarzelf gecreëerde schaarste omgaat, vergt afzonderlijke keuzes en een zelfstandige motivering.

Onze boodschap aan gemeenten is daarom niet dat schaarste geen juridische gevolgen heeft. Onze boodschap is dat die gevolgen niet verder moeten worden opgerekt dan uit de rechtspraak volgt.

“Andere gemeenten doen het ook” is geen motivering

Dat een groot aantal gemeenten een maximumbeleid hanteert, maakt een dergelijk maximum niet automatisch noodzakelijk of evenredig in een andere gemeente. Iedere gemeente heeft een eigen lokale situatie, bevolkingssamenstelling, geografische structuur, coffeeshopbestand, bezoekersstromen en openbare-ordepraktijk.

Een verwijzing naar de praktijk in andere gemeenten kan de motivering ondersteunen, maar verklaart op zichzelf niet waarom een bepaald maximum in de eigen lokale situatie passend is. De vraag blijft waarom juist in deze gemeente een numerieke beperking noodzakelijk is en waarom juist het gekozen aantal passend is.

Het beleid moet ook zichzelf kunnen verklaren

Een maximum moet niet alleen op zichzelf worden gemotiveerd; het gehele beleidsstelsel moet coherent en consistent zijn. Wanneer een gemeente in haar eigen beleid stelt dat gedoogde coffeeshops bijdragen aan het beperken van ongecontroleerde straathandel of aan de scheiding van markten, vraagt een beperking van dat gedoogde aanbod om een aanvullende uitleg.

Ook de interne samenhang van het beleid is relevant voor de overtuigingskracht van de motivering. Wanneer een gemeente enerzijds stelt dat gedoogde verkooppunten bijdragen aan het beperken van straathandel, maar anderzijds het aantal verkooppunten wil verminderen om diezelfde straathandel te bestrijden, vraagt die combinatie om uitleg.

“Het mag” beantwoordt nog niet de vraag “waarom is het nodig?”

Een wettelijke bevoegdheid, een landelijke aanwijzing of een landelijk beleidskader kan ruimte bieden om een bepaald instrument te gebruiken. Daarmee is de concrete uitoefening van die bevoegdheid nog niet automatisch noodzakelijk, evenredig en deugdelijk gemotiveerd.

Bevoegdheid is iets anders dan rechtvaardiging.

Dat is relevant bij verwijzingen naar landelijke kaders, naar de Aanwijzing Opiumwet en naar gemeentelijke bevoegdheden in algemene zin. Wij stellen niet dat een landelijk kader een vrij vestigingsregime voorschrijft; die conclusie volgt daar niet uit. Onze boodschap is uitsluitend dat ruimte om te maximeren niet hetzelfde is als een inhoudelijke rechtvaardiging voor ieder lokaal maximum. Die rechtvaardiging moet per gemeente en per besluit worden geleverd.

Houd de juridische instrumenten uit elkaar

Een exploitatievergunning, een gedoogverklaring en de planologische toelaatbaarheid van een coffeeshop zijn verschillende juridische instrumenten met elk een eigen kader.

Voor de verkoop van cannabis geldt de gedoogverklaring. De rechtspraak bevestigt dat deze gedoogverklaring geen vergunning is in de zin van de Dienstenrichtlijn. Dat is van belang, omdat gemeenten hun keuze voor tijdelijke toestemmingen of herverdeling niet kunnen presenteren als een rechtstreeks uit de Dienstenrichtlijn voortvloeiende verplichting.

De exploitatievergunning ziet op de exploitatie van de openbare inrichting en kent een eigen juridisch kader. Daarnaast bepaalt het omgevingsplan waar een coffeeshop ruimtelijk kan worden toegestaan. Juist door deze instrumenten juridisch van elkaar te onderscheiden, ontstaat ruimte voor een andere inrichting van het lokale coffeeshopbeleid.

Wat zegt de VNG specifiek over coffeeshops?

Dit onderscheid is niet alleen onze eigen lijn. De VNG behandelt coffeeshops in haar algemene handreiking over schaarse vergunningen expliciet als afzonderlijke rechtsfiguur, in de paragraaf over de afbakening van gedogen.

Wat de VNG schrijft

De handreiking maakt in par. 4.5 “Afbakening van gedogen” onderscheid tussen vergunningen en gedoogverklaringen. Het gedogen van een activiteit is in de systematiek van de handreiking iets anders dan het verlenen van een vergunning voor die activiteit, en coffeeshops worden daarbij als eigen categorie benoemd.VNG Handreiking Schaarse vergunningen (2024), par. 4.5, p. 27–28

Over de vraag of het Unierecht op de gedoogverklaring van toepassing is, formuleert de handreiking van oktober 2024 nog voorzichtig.

Wat uit de rechtspraak volgt

Na het verschijnen van de handreiking is die vraag beantwoord. In de uitspraak Heerlen van 30 april 2025 (ABRvS, ECLI:NL:RVS:2025:1925) is geoordeeld dat de gedoogverklaring voor de verkoop van cannabis geen vergunning is in de zin van de Dienstenrichtlijn.

Onze conclusie

Wij gebruiken de handreiking daarom voor de systematiek en de afbakening, en de uitspraak Heerlen voor de actuele juridische conclusie over de Dienstenrichtlijn. Het onderscheid is van belang omdat op deze instrumenten niet zonder meer hetzelfde juridische regime van toepassing is. Met name kan de Dienstenrichtlijn niet als grondslag worden gebruikt voor de stelling dat de gedoogverklaring voor cannabisverkoop als een vergunning onder die richtlijn moet worden behandeld.

Normeren in plaats van maximeren

Daarmee komen we bij het alternatief dat wij gemeenten voorleggen. Als het doel van het coffeeshopbeleid is om te sturen op locatie, spreiding, openbare orde, leefbaarheid en beheersbaarheid, moet worden onderzocht of daarvoor werkelijk een absoluut maximum nodig is.

Gemeenten beschikken in de praktijk al over een uitgebreid kwalitatief en ruimtelijk instrumentarium: locatiecriteria, spreidingsregels, afstandscriteria, exploitatievoorwaarden, eisen ter bescherming van het woon- en leefklimaat, Bibob-toetsing, eisen aan levensgedrag, veiligheidsvoorwaarden, toezicht en handhaving, en ruimtelijke normstelling via het omgevingsplan. Die instrumenten grijpen rechtstreeks aan op de risico’s die in coffeeshopbeleid worden genoemd.

Als deze instrumenten de gestelde risico’s al rechtstreeks adresseren, welk resterend probleem moet dan nog met een absoluut numeriek plafond worden opgelost?

Die vraag sluit aan op de evenredigheid van het gekozen instrument. Bij de beoordeling van de evenredigheid kan van belang zijn of het beleidsdoel ook met een minder ingrijpend instrument kan worden bereikt. De genoemde instrumenten kunnen gericht worden ingezet op de locatie, de exploitatie of de exploitant waar het probleem zich daadwerkelijk voordoet.

Maximeren

Een maximumstelsel legt vooraf vast hoeveel posities beschikbaar zijn. Daarmee kan de gemeente zelf schaarste creëren, met alle juridische gevolgen die daaraan verbonden kunnen worden — terwijl het aantal zelf actueel, noodzakelijk en evenredig onderbouwd moet zijn.

Normeren

Bij normstelling wordt primair bepaald aan welke voorwaarden een locatie en een exploitatie moeten voldoen. De gemeente behoudt regie op locatie, spreiding en voorwaarden, zonder dat een numeriek plafond het vertrekpunt van het beleid hoeft te zijn.

Normstelling via het omgevingsplan biedt de mogelijkheid concreet vast te leggen waar coffeeshops ruimtelijk zijn toegestaan en welke voorwaarden daarbij gelden. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gestuurd op spreiding, afstand tot gevoelige functies en de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een locatie (vgl. ABRvS 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1001). Omgevingsplan en APV vullen elkaar daarbij aan: het omgevingsplan regelt de planologische toelaatbaarheid, terwijl via de APV exploitatievoorwaarden kunnen worden gesteld en gehandhaafd. De burgemeester behoudt zijn bevoegdheden om daarop toezicht te houden en waar nodig handhavend op te treden.

Wat de VNG schrijft

De VNG schrijft dat gemeentebesturen beleidsruimte hebben en in beginsel kunnen kiezen voor een vergunningstelsel, maar óók voor een andere vorm van normering, zoals algemene regels en meldingen.VNG Handreiking Schaarse vergunningen (2024), p. 5

Daarnaast maakt de handreiking duidelijk dat schaarse ruimte in het omgevingsrecht op zichzelf in beginsel geen schaars recht oplevert. Het enkele feit dat voor een activiteit planologische toestemming nodig is, creëert dus niet automatisch een schaarse vergunning. Een uitzondering kan ontstaan wanneer in het ruimtelijke plan zelf uitdrukkelijk een plafond wordt opgenomen, of wanneer de ruimtelijke besluitvorming bewust als verdeelinstrument voor een schaars recht wordt ingericht.VNG Handreiking Schaarse vergunningen (2024), par. 2.3, p. 11–12

Onze conclusie

Wij trekken daaruit een duidelijke afbakening voor onze eigen oplossing. Normeren via het omgevingsplan is niet hetzelfde als het verplaatsen van een numeriek maximum naar het omgevingsplan. Het gaat juist om inhoudelijke, ruimtelijke voorwaarden waaraan locaties moeten voldoen — zonder vooraf een absoluut aantal beschikbare coffeeshopposities vast te leggen. Een numeriek plafond houdt zijn beperkende karakter wanneer het in het omgevingsplan wordt opgenomen en zal ook daar een toereikende ruimtelijke en juridische onderbouwing moeten hebben.

Dat betekent niet dat gemeenten geen coffeeshopbeleid meer kunnen voeren of niet meer kunnen sturen. Het betekent dat een maximumstelsel niet als vanzelfsprekend beleidsinstrument hoeft te worden gebruikt wanneer dezelfde doelstellingen met gerichte normstelling kunnen worden bereikt.

Een aangedragen alternatief vraagt om een inhoudelijke beoordeling

Wanneer in een beleidsprocedure een concreet minder ingrijpend alternatief wordt aangedragen waarmee hetzelfde doel mogelijk kan worden bereikt, is een algemene verwijzing naar beheersbaarheid of naar het bestaande beleidsmodel een zwakke motivering. Bij de beoordeling van de evenredigheid kan immers van belang zijn of het beleidsdoel ook met een minder ingrijpend instrument kan worden bereikt. Voor de overtuigingskracht van de motivering is daarom relevant dat de gemeente uitlegt waarom het aangedragen alternatief het beleidsdoel naar haar oordeel onvoldoende bereikt.

“Bezin voordat u begint. Indien u als gemeente regie wilt houden, kan dat ook zonder schaarste: door te normeren in plaats van te maximeren.”

Kijk ook naar wat in de praktijk al goed functioneert

Bij de beoordeling van nieuw beleid moet niet alleen worden gekeken naar potentiële nieuwe gegadigden. Ook de feitelijke situatie van bestaande coffeeshops is relevant. Veel coffeeshops bestaan al tientallen jaren. Zij hebben een vaste locatie, personeel, investeringen en vaak een langdurige relatie met hun omgeving.

In onze eerdere brieven hebben we erop gewezen dat de vestiging of verplaatsing van een coffeeshop juist regelmatig leidt tot bezwaarprocedures en maatschappelijke weerstand. Een bestaande, goed functionerende locatie vervangen door een nieuwe locatie is daarom niet noodzakelijk een verbetering vanuit openbare orde, leefbaarheid of bestuurlijke uitvoerbaarheid. Dat perspectief hoort thuis in de belangenafweging: het gelijkekansenbeginsel betekent niet dat de belangen van bestaande ondernemers daarmee verdwijnen.

Openbare orde wordt traditioneel gebruikt als argument voor beperking van het aantal coffeeshops, maar dat argument werkt ook de andere kant op. Bestaande coffeeshops hebben vaak al een werkbare relatie opgebouwd met de buurt en met lokale toezichthouders. Wij hebben in onze brieven daarom aandacht gevraagd voor de mogelijke bestuurlijke en openbare-orde-effecten van het periodiek vervangen van bestaande, goed functionerende locaties. Ook die gevolgen behoren naar onze opvatting te worden meegewogen bij de vraag of periodieke herverdeling noodzakelijk en evenredig is.

Wat de VNG schrijft

De handreiking wijst erop dat niet alleen het bieden van mededingingsruimte relevant is. De VNG noemt onder meer rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel als omstandigheden die relevant kunnen zijn bij de inrichting van de mededingingsruimte, en benadrukt dat dergelijke afwegingen expliciet moeten worden gemaakt in de toelichting bij de verordening, regeling of beleidsregel waarin het stelsel is vastgelegd.VNG Handreiking Schaarse vergunningen (2024), par. 5.4, p. 34–35

Onze conclusie

De VNG schrijft hiermee niet dat bestaande coffeeshops zonder meer moeten worden beschermd; dat staat er niet. Voor coffeeshopbeleid vinden wij dat bij die afweging ook de concrete gevolgen voor bestaande ondernemingen moeten worden betrokken. “Gelijke kansen” is voor ons niet het eindpunt van de belangenafweging.

Bedrijfsopvolging en continuïteit zijn onderdeel van de beleidsvraag

Veel coffeeshopondernemers hebben hun onderneming gedurende tientallen jaren opgebouwd en naderen inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd. Wanneer voortzetting of overname door beleid wordt bemoeilijkt, kan bedrijfsopvolging in de praktijk onmogelijk worden en kan opgebouwde ondernemingswaarde — waaronder de pensioenvoorziening van ondernemers — onder druk komen te staan.

Daar komt bij dat het verdwijnen van een bestaande exploitant niet alleen de ondernemer raakt. De gevolgen werken door naar werknemers en naar de continuïteit van de onderneming. Bij verlies van de positie kan de onderneming ophouden te bestaan, terwijl een eventuele nieuwe exploitant niet noodzakelijk onmiddellijk over een geschikte locatie beschikt of zijn deuren kan openen. Een gemeente die kiest voor tijdelijke posities en periodieke herverdeling moet die gevolgen daarom daadwerkelijk betrekken bij haar belangenafweging.

Dit betekent niet dat een opvolger aanspraak heeft op overdracht van de bestaande gedoogverklaring. Wel is relevant welke gevolgen het gekozen stelsel heeft voor bedrijfsopvolging en of die gevolgen in de belangenafweging zijn betrokken.

Ondernemerszekerheid, regeldruk en het coalitieakkoord

De gevolgen beperken zich niet tot het juridische vraagstuk. Ondernemers die opnieuw naar hun bestaande positie moeten meedingen, krijgen te maken met nieuwe aanvraagprocedures, bewijsverplichtingen, kosten en onzekerheid. Beleidswijzigingen leiden bovendien geregeld tot bezwaar- en beroepsprocedures.

Dat staat op spanning met de landelijke koers voor ondernemerschap. In het landelijke regeerakkoord wordt ingezet op vermindering van regeldruk, stabiel en voorspelbaar beleid voor ondernemers en versnelling van vergunningverlening; ook is vastgelegd dat de bedrijfsopvolgingsregeling voor familiebedrijven niet wordt versoberd. Daarom hoort bij lokaal coffeeshopbeleid ook de vraag welke extra regeldruk en onzekerheid een nieuw stelsel creëert, en of die lasten daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor het te bereiken beleidsdoel.

Als een gemeente kiest voor maximering

Wij stellen niet dat een gemeente nooit voor een maximum kan kiezen. Wel vinden wij dat die keuze aan de voorkant moet worden gemaakt en onderbouwd, in plaats van het bestaande aantal als onaantastbaar uitgangspunt te nemen.

Een gemeente die wil maximeren, zal inzichtelijk moeten maken welk concreet beleidsdoel daarmee wordt gediend, welke actuele feiten het maximum dragen, waarom juist het gekozen aantal geschikt is en waarom minder ingrijpende maatregelen niet volstaan. Vervolgens moeten de gevolgen voor bestaande ondernemingen, werknemers, investeringen en bedrijfsopvolging daadwerkelijk in de evenredigheidsafweging worden betrokken. Pas daarna komt de vraag welke juridische consequenties aan de aldus gecreëerde schaarste moeten worden verbonden.

De juiste volgorde

Niet

Eerst een maximum aannemen en vervolgens bedenken hoe de beschikbare posities moeten worden verdeeld.

Wel

Eerst vaststellen welk probleem moet worden opgelost, vervolgens bepalen welk instrument daarvoor noodzakelijk en evenredig is, en pas daarna beoordelen welke juridische gevolgen uit die keuze voortvloeien.

Checklist: vragen bij een maximumstelsel

  • Welk concreet publiek belang dient het maximum?
  • Op welke actuele feiten berust de noodzaak?
  • Welk verband bestaat tussen het aantal coffeeshops en het geconstateerde probleem?
  • Waarom is juist dit aantal gekozen?
  • Welke andere instrumenten zijn onderzocht?
  • Welke gevolgen heeft het stelsel voor bestaande ondernemingen, personeel en bedrijfsopvolging?
  • Welke juridische gevolgen worden aan de gecreëerde schaarste verbonden, en op welke rechtsgrond?