Onderdeel van: Schaarse vergunningen
Coffeeshops hebben géén vergunning in de zin van de Dienstenrichtlijn
Een coffeeshop opereert niet op basis van een vergunning, maar op basis van een gedoogverklaring. Dat onderscheid is juridisch wezenlijk: een gedoogverklaring is geen "schaars publiek recht" zoals bedoeld in het Unierecht. Dit is opnieuw bevestigd door de Rechtbank Midden-Nederland op 12 december 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:7604). De Europese Dienstenrichtlijn verplicht gemeenten daarom niet tot het toepassen van een schaarse-vergunningensystematiek op coffeeshops.
Schaarste ontstaat pas door een gemeentelijke beleidskeuze
Wanneer een gemeente het aantal gedoogverklaringen maximeert — bijvoorbeeld via een maximumstelsel of een vast plafond — ontstaat feitelijke schaarste. Die schaarste is dan het gevolg van een zelfgekozen beleidsmaatregel, niet van een rechtstreekse verplichting uit het Unierecht. Daarmee verschuift de discussie: niet "moeten wij verdelen?", maar "waarom maximeren wij eigenlijk, en is dat noodzakelijk en evenredig?".
Waarom dit onderscheid ertoe doet
In de praktijk presenteren gemeenten de overgang naar tijdelijke, verdeelbare gedoogverklaringen vaak als juridisch onvermijdelijk. Dat is onjuist. Zolang er geen door de gemeente zelf gecreëerde schaarste is, is er ook geen verdelingsplicht. En wanneer een gemeente wél schaarste creëert, rust op haar de last om die keuze objectief en toetsbaar te onderbouwen — met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur (art. 3:2, 3:4 en 3:46 Awb).
Onderbouwing — legal opinion Blenheim Advocaten (3 juni 2024)
Deze lijn wordt onderbouwd in de legal opinion die Blenheim Advocaten in opdracht van de BCD opstelde. Kernpunten:
- Een gedoogverklaring is geen vergunning in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en evenmin in de zin van de Dienstenrichtlijn. Zolang de Opiumwet geldt, kan voor de verkoop van softdrugs geen vergunning worden verleend (vgl. Rb. Limburg 30 maart 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2746; ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3482).
- Ook onder het Wietexperiment heeft de wetgever uitdrukkelijk beoogd dat geen sprake is van een "legaal economisch en commercieel circuit" — de verkoop van softdrugs valt dus niet onder de Europese verkeersvrijheden (vgl. HvJEU, Josemans, C-137/09).
- De verkoop van softdrugs valt daarmee niet onder de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn. Op die grondslag kan dus geen vergunningsstelsel met maximum of beperkte geldigheidsduur worden opgelegd.
- Zelfs als zou worden teruggevallen op het VWEU, rechtvaardigen de bijzondere risico's van softdrugsverkoop — bescherming van de volksgezondheid, openbare orde en woon- en leefklimaat — uitsluiting of beperking van de mededingingsruimte (vgl. de "Betfair-uitzondering", HvJEU 3 juni 2010, C-203/08).
- Praktisch advies: verleen toestemmingen voor onbepaalde tijd, of voor bepaalde tijd met automatische verlenging, om de continuïteit van bestaande exploitanten en de buurtverankering — beide noodzakelijk voor het maatschappelijk belang dat de coffeeshop dient — te borgen.

