Rechter stelt coffeeshops opnieuw in het gelijk: Worldline moet buitenlandse kaartbetalingen hervatten
19 October 2026

Rechter stelt coffeeshops opnieuw in het gelijk: Worldline moet buitenlandse kaartbetalingen hervatten

De rechtbank Midden-Nederland heeft de coffeeshops opnieuw grotendeels in het gelijk gesteld in het kort geding tegen Worldline.

This article is published in Dutch. For an English summary or questions, contact info@coffeeshopbond.nl.

De rechtbank Midden-Nederland heeft de coffeeshops opnieuw grotendeels in het gelijk gesteld in het kort geding tegen Worldline. De betaaldienstverlener moet binnen 72 uur na betekening van het vonnis de geblokkeerde betalingen met buitenlandse betaalkaarten weer mogelijk maken. De argumenten over het ingezetenencriterium, Amerikaanse banken en de eigen betaalinfrastructuur rechtvaardigen de beperking volgens de rechter niet.

De uitspraak volgt op de behandeling van het tweede kort geding op 5 oktober. Nadat de rechter op 6 maart al had verboden de overeenkomsten op de aangevoerde grond te beëindigen, blokkeerde Worldline vanaf eind mei betalingen met door Amerikaanse banken uitgegeven kaarten. Daarmee moesten coffeeshops opnieuw naar de rechter om de dienstverlening te laten herstellen.

Lees ook ons eerdere bericht: Kort geding tegen Worldline: rechter kritisch op onderbouwing blokkade Amerikaanse betaalkaarten.

Het eerdere vonnis vormt het uitgangspunt voor deze beoordeling. De rechtbank wijst erop dat toen al is meegewogen dat coffeeshops hun producten verkopen op basis van landelijk en gemeentelijk gedoogbeleid. Worldline mag de dienstverlening niet beëindigen omdat het om coffeeshops gaat. Ook de redenen die Worldline nu aanvoert voor het beperken van die dienstverlening zijn volgens de rechter onvoldoende.

Ingezetenencriterium rechtvaardigt de blokkade niet

Worldline stelde dat het bij vrijwel alle geweigerde transacties zou gaan om cannabisverkopen aan niet-ingezetenen van Nederland. Volgens de betaaldienstverlener vallen deze verkopen buiten de gedoogvoorwaarden en kan zij niet worden verplicht de bijbehorende betalingen te verwerken.

De rechtbank gaat daar niet in mee. De rechter kijkt naar de gemeentelijke toepassing en handhaving van het ingezetenencriterium en verwijst daarbij uitdrukkelijk naar het Amsterdamse coalitieakkoord:

Volgens de rechtbank wordt in de gemeentes waar de coffeeshops gevestigd zijn niet op het i-criterium gehandhaafd. In Amsterdam, waar toch veel toerisme is, staat in het coalitieakkoord 2026 zelfs dat het i-criterium niet is ingevoerd.

De rechtbank vervolgt:

“Het gaat het dus om betalingen voor transacties die

  • feitelijk legaal zijn zoals in Amsterdam omdat het i-criterium niet is opgenomen in de gemeentelijke voorwaarden die gelden voor coffeeshops of
  • in strijd zijn met een criterium waarop niet wordt gehandhaafd; het wordt (ook) gedoogd.

Dat toewijzing betekent dat Worldline gedwongen zou worden om verboden verkoop te faciliteren is dus onjuist.”

Daarmee verwerpt de rechter het standpunt dat het landelijke ingezetenencriterium in deze situaties voldoende grond biedt om betalingen met Amerikaanse kaarten te blokkeren.

Amerikaanse banken en kaartmaatschappijen

Ook het beroep op de positie van Amerikaanse banken overtuigt de rechtbank niet:

“Worldline heeft ook onvoldoende onderbouwd dat het voor Amerikaanse banken problematisch is als zij faciliteren dat hun kaarthouders pinbetalingen in Nederlandse coffeeshops doen (reden 2).”

Het door Worldline aangehaalde Amerikaanse document gaat volgens de rechtbank over financiële dienstverlening aan bedrijven en instellingen die betrokken zijn bij de productie en verkoop van cannabis in de Verenigde Staten. Daarmee is niet onderbouwd waarom betalingen van Amerikaanse klanten bij Nederlandse coffeeshops problematisch zouden zijn.

De rechtbank betrekt daarbij ook de verklaringen van Visa en Mastercard en het standpunt van de minister van Financiën:

“Daarbij geldt:

  • dat Visa en Mastercard hebben verklaard betalingen bij coffeeshops te zullen blijven faciliteren met de huidige regelgeving en het gedoogbeleid;
  • dat de minister van Financiën recent heeft aangegeven dat het onwenselijk is als coffeeshophouder worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet meer mogelijk zijn, omdat zij dan worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken. Dat is een risico dat in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme expliciet wordt benoemd als problematisch.”

De rechtbank weegt daarmee ook het gevolg van de blokkade mee: het wegvallen van pinbetalingen dwingt ondernemers richting contant geld, terwijl juist aan die geldstromen risico’s worden verbonden.

Eigen betaalinfrastructuur biedt geen voldoende onderbouwing

Worldline voerde daarnaast aan dat haar huidige bank vergaande verklaringen verlangt en dat er weinig alternatieven beschikbaar zijn. Volgens de rechtbank heeft Worldline onvoldoende onderbouwd waarom zij met de dienstverlening aan coffeeshops niet aan de voorwaarden van die bank zou kunnen voldoen.

Over de mogelijkheden om andere banken in te schakelen schrijft de rechter:

“Ook heeft Worldline onvoldoende concreet uitgewerkt en onderbouwd dat zij niet bij andere banken terecht kan. Daarbij weegt mee dat de coffeeshops tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij de bedragen die hun klanten pinnen, ontvangen vanaf rekeningen op naam van Worldline bij allerlei verschillende banken, waaronder ook Nederlandse banken. Dat Worldline die situatie bedrijfsmatig niet optimaal vindt en wil beëindigen, maakt dat niet anders. Dat is de eigen keuze van Worldline.”

Dat Worldline haar betaalinfrastructuur anders wil inrichten, is daarmee onvoldoende om deze beperking van de dienstverlening te rechtvaardigen.

Hervatting binnen 72 uur

Worldline moet binnen 72 uur na betekening van het vonnis betalingen met buitenlandse betaalkaarten aan eisers weer faciliteren en ervoor zorgen dat deze betalingen niet worden geblokkeerd. De verplichting geldt totdat in de bodemprocedure een einduitspraak in eerste aanleg is gewezen of een definitieve minnelijke regeling ter oplossing van het geschil is getroffen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Het gevraagde aanvullende verbod op andere of vergelijkbare blokkades zonder rechtsgrond is niet toegewezen. De rechtbank motiveert dat als volgt:

“Het gevraagde verbod om zonder rechtsgrond andere of vergelijkbare (categoriale) blokkades van de dienstverlening in te voeren (waaronder blokkades van buitenlandse betaalkaarten) wordt afgewezen. Dat mag Worldline ook zonder dat verbod niet, zodat de coffeeshops onvoldoende belang hebben bij dit verbod.”

Ook is geen dwangsom opgelegd. De rechter ziet onvoldoende aanleiding om te vrezen dat Worldline de dienstverlening opnieuw op dezelfde grondslag zal opschorten. Worldline moet € 2.226,57 aan proceskosten vergoeden. De volledige werkelijk gemaakte proceskosten zijn niet toegewezen.

Toegang tot betalingsverkeer blijft aandacht vragen

Voor ons is dit opnieuw een belangrijke uitspraak. Voor de tweede keer was een kort geding nodig om de dienstverlening bij Worldline overeind te houden. Eerst tegen het beëindigen van de overeenkomsten, nu tegen het blokkeren van buitenlandse betaalkaarten.

Het bredere probleem is daarmee niet opgelost. Ondernemers moeten kunnen rekenen op werkbaar en betrouwbaar betalingsverkeer. Van coffeeshops wordt verwacht dat zij hun geldstromen inzichtelijk houden en de risico’s van contant geld beperken. Daar moet ook de mogelijkheid tegenover staan om klanten elektronisch te laten betalen.

Wij blijven ons inzetten voor structurele toegang tot het betalingsverkeer. Dat kan niet afhankelijk blijven van telkens een nieuwe procedure.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, vonnis in kort geding van 19 oktober 2026, zaaknummer C/16/617331 / KG ZA 26-551.