Op 5 oktober vond bij de rechtbank Midden-Nederland het tweede kort geding tegen Worldline plaats. Centraal stond de blokkade van Amerikaanse betaalkaarten bij coffeeshops en de mogelijkheid dat Worldline in de toekomst ook andere buitenlandse betaalkaarten blokkeert.
De kern van het verweer van Worldline is dat zij stelt dat zij met het verwerken van internationale, en in het bijzonder Amerikaanse, betaalkaarten betalingen faciliteert die volgens haar buiten het Nederlandse gedoogbeleid vallen.
Worldline baseert dat voornamelijk op het ingezetenencriterium. Volgens Worldline mogen coffeeshops geen cannabis verkopen aan niet-ingezetenen van Nederland en kan bij een betaling met een door een Amerikaanse bank uitgegeven kaart in de meeste gevallen worden aangenomen dat de kaarthouder geen Nederlandse ingezetene is. Worldline stelt daarom dat zij door deze betalingen te verwerken zou meewerken aan transacties die niet binnen de gedoogvoorwaarden vallen.
Daarnaast beroept Worldline zich op Amerikaanse wetgeving en de positie van Amerikaanse banken. Tijdens de zitting lichtte Worldline toe dat zij betalingen met Amerikaanse kaarten als een aanzienlijk hoger risico beschouwt dan betalingen met kaarten uit andere landen. Volgens Worldline bestaat juist bij Amerikaanse kaarten een verhoogd risico op problemen met banken, kaartmaatschappijen en andere partijen in de internationale betaalketen. Dat hogere risico vormt volgens Worldline de reden om op dit moment specifiek Amerikaanse kaarten te blokkeren.
Ook de regels van Visa en Mastercard spelen een rol in het verweer. Worldline verwijst naar bepalingen die betrekking hebben op illegale of drugsgerelateerde transacties en ziet daarin aanvullende ondersteuning voor de gekozen maatregel. Daar staat tegenover dat zowel Visa als Mastercard zelf hebben aangegeven dat er vanuit hun schemes geen belemmering bestaat om betalingen bij Nederlandse coffeeshops te verwerken. Mastercard heeft bevestigd dat zij de acceptatie van Mastercard-betaalproducten bij Nederlandse coffeeshops blijft ondersteunen. Visa heeft aangegeven dat wat door de overheid is toegestaan in het land waar de transactie plaatsvindt, ook door Visa wordt toegestaan. Dat beeld is deze zomer ook door de minister van Financiën bevestigd: in zijn brief van 9 juli staat dat beide ondernemingen hebben aangegeven dat zij de coffeeshopsector momenteel bedienen. Worldline heeft bovendien geen concrete instructie van Visa of Mastercard overgelegd waaruit blijkt dat Amerikaanse betaalkaarten bij Nederlandse coffeeshops moeten worden geblokkeerd.
Verder beroept Worldline zich op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Volgens Worldline mogen betaaldienstverleners geen betalingen voor illegale activiteiten faciliteren en moet zij kunnen ingrijpen wanneer transacties volgens haar buiten het gedoogbeleid vallen.
Tot slot beroept Worldline zich op haar algemene voorwaarden. Die zouden haar onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid geven om transacties of dienstverlening op te schorten, bijvoorbeeld wanneer sprake is van strijd met wetgeving, regels van kaartmaatschappijen of integriteitsrisico’s.
Worldline benadrukte daarbij dat zij niet alle dienstverlening heeft stopgezet. Zij zegt bewust te hebben gekozen voor een beperktere maatregel. Volgens Worldline is juist voor Amerikaanse kaarten gekozen omdat zij die categorie als het grootste risico in de betaalketen beschouwt. Tegelijkertijd heeft Worldline in haar communicatie steeds het recht voorbehouden om later ook andere buitenlandse betaalkaarten te blokkeren.
Ingezetenencriterium centraal in debat
Van onze kant is aangevoerd dat het ingezetenencriterium al sinds 2013 bestaat en daarom moeilijk als een nieuwe omstandigheid kan worden gepresenteerd. Ook is benadrukt dat het Nederlandse coffeeshopbeleid juist wordt gekenmerkt door gedogen, waarbij de uitvoering en handhaving van het ingezetenencriterium lokaal verschillen.
De rechter stelde hierover verschillende vragen aan Worldline. Toen Worldline benadrukte dat het ingezetenencriterium formeel onderdeel is van het landelijke kader, wees de rechter op de bijzondere systematiek van het gedoogbeleid en de betekenis van het feit dat een criterium lokaal niet wordt gehandhaafd.
De rechter gaf bovendien aan zelf te hebben nagezocht dat het ingezetenencriterium destijds in belangrijke mate is ingevoerd om drugstoerisme in grensgemeenten tegen te gaan. Daarbij constateerde hij dat geen van de coffeeshops die partij zijn in deze procedure in een grensgemeente is gevestigd.
Daarmee kwam nadrukkelijk de vraag op tafel te liggen in hoeverre het ingezetenencriterium in deze concrete situaties een voldoende grond vormt voor een blokkade van bepaalde buitenlandse betaalkaarten.
Amerikaanse wetgeving en betaalketen
Ook het beroep van Worldline op Amerikaanse wetgeving werd uitvoerig besproken. Wij hebben aangevoerd dat de door Worldline genoemde Amerikaanse regels betrekking hebben op financiële dienstverlening aan cannabisbedrijven en niet zonder meer betekenen dat een Amerikaanse consument in Nederland geen betaling bij een coffeeshop zou mogen doen.
Daarnaast is erop gewezen dat zich bij de betrokken coffeeshops geen Amerikaanse bank of toezichthouder heeft gemeld met bezwaren tegen dergelijke transacties. Ook is niet gebleken van een concrete instructie vanuit een Amerikaanse bank om deze betalingen te blokkeren.
Worldline stelde daar tegenover dat het risico volgens haar juist in de Amerikaanse betaalketen hoger is dan bij andere landen en dat dit de reden is om specifiek Amerikaanse kaarten te blokkeren.
Wwft vereist individuele beoordeling
Een ander belangrijk onderdeel van de procedure betreft de Wwft. Wij hebben aangevoerd dat deze wet uitgaat van een individuele en risicogebaseerde beoordeling van klanten.
Een hele klantengroep uitsluitend vanwege een algemeen of sectorbreed verhoogd risico uitsluiten van betaaldienstverlening past niet binnen dat uitgangspunt. De minister van Financiën heeft op 9 juli opnieuw benadrukt dat de Wwft geen ruimte biedt om klantengroepen categoraal te weigeren op basis van enkel een hoger risico.
Worldline stelde tijdens de behandeling tevens dat het voor haar praktisch niet uitvoerbaar is om voor iedere gemeente afzonderlijk bij te houden hoe het lokale beleid en de handhaving van het ingezetenencriterium zijn ingericht. Ook dat punt werd onderdeel van het debat over de vraag of een algemene blokkade van een bepaalde categorie betaalkaarten gerechtvaardigd kan worden.
Breder probleem dan deze procedure
Hoewel deze procedure formeel door een beperkt aantal coffeeshops wordt gevoerd, speelt de kwestie veel breder. Inmiddels zijn bij ongeveer honderd coffeeshops kaarten geblokkeerd, terwijl veel van deze ondernemingen daarnaast een opzegging van hun dienstverlening hebben ontvangen.
Daarbij blijft voor ons een belangrijke vraag waar het daadwerkelijke probleem in de betaalketen precies zit. Coffeeshops ontvangen uitbetalingen via verschillende banken en betaalstromen. Tegelijkertijd wordt door Worldline verwezen naar risico’s binnen diezelfde keten zonder dat tot nu toe duidelijk is geworden welke concrete partij Worldline tot deze specifieke blokkade verplicht.
De voorzieningenrechter doet naar verwachting binnen ongeveer twee weken uitspraak. De uitkomst is niet alleen van belang voor de coffeeshops die partij zijn in deze procedure, maar ook voor de bredere discussie over toegang van coffeeshops tot regulier en betrouwbaar betalingsverkeer.
Coffeeshops en betalingsverkeer
Achtergrond bij het bank- en pinvraagstuk in de sector: derisking, Wwft en de weg naar reële toegang tot regulier betalingsverkeer.
Naar de kennisbank
