Partijen die zeggen te willen legaliseren, moeten nu leveren

2 FEBRUARI 2026 | REDACTIE

Na de publicatie van het coalitieakkoord is één ding pijnlijk duidelijk: in het cannabisdossier zitten we politiek wéér precies op de plek die je al in de verkiezingsprogramma’s zag aankomen. D66 wil doorpakken richting regulering en legalisering. De VVD wil vooral afwachten en alles ophangen aan uitvoering en evaluatie. En het CDA wil terug naar aanscherping en is in de kern tegen verdere normalisering. Het coalitieakkoord is daarmee geen doorbraak, maar het midden waar deze drie partijen elkaar kunnen vinden zonder een principiële keuze te hoeven maken.

Dat compromis staat zwart op wit in één zin: “We zetten het experiment voort, evalueren het en bepalen op basis daarvan de vervolgstappen.”  Dit is geen routekaart, dit is een escape. Het is de nette formulering waarmee een kabinet kan zeggen dat het “iets doet”, terwijl het tegelijk de deur openhoudt om niets te besluiten. D66 kan ermee leven omdat het experiment doorgaat. De VVD kan ermee leven omdat het woord “evaluatie” erin staat. En het CDA kan ermee leven omdat legalisering nergens wordt vastgelegd. De uitkomst is bestuurlijk voorspelbaar: het probleem wordt beheerd, niet opgelost.

Het experiment is niet het probleem — de vrijblijvendheid wel
Het akkoord zet cannabis onder de kop “Nuchter beleid: drugs, gokken, sekswerk” en stelt dat voor softdrugs een “strak gereguleerd gedoogbeleid” geldt.  Dat klinkt als een nette middenpositie, maar juridisch en beleidsmatig blijft het hetzelfde fundament: gedogen is een uitzonderingsconstructie waarin norm en praktijk structureel uit elkaar lopen. Een “strak” gedoogbeleid maakt die spanning niet kleiner, maar groter. Hoe strakker de voorkant wordt gereguleerd, hoe zichtbaarder wordt dat de achterkant nog steeds niet in het stelsel past.

Want de kern van het probleem blijft ongewijzigd: de overheid gedoogt verkoop aan de voorkant, maar laat de bevoorrading aan de achterkant in een strafrechtelijke schaduw bestaan. Daarmee ontstaat een stelsel waarin de staat een consumentenmarkt faciliteert, maar tegelijk accepteert dat de aanvoerketen buiten transparantie en controle blijft. Dit is precies het mechanisme waardoor de illegale markt structureel onderdeel wordt van de uitvoering. Wie vervolgens zegt dat hij ondermijning wil bestrijden, maar de achterdeur ongemoeid laat, kiest er in de praktijk voor dat criminelen die achterdeur blijven beheren.

Het kabinet schrijft dat het experiment gesloten cannabisketen bedoeld is om te bezien of regulering zich vertaalt in “meer veiligheid en gezondheid”.  Dat is op zichzelf een legitieme doelstelling. Het probleem zit niet in het voortzetten van het experiment, maar in de politieke keuze om de uitkomst open te laten. De formulering “we bepalen op basis daarvan de vervolgstappen” maakt het mogelijk om na de evaluatie alle kanten op te gaan, inclusief opnieuw uitstel.  Een open einde zonder richting leidt potentieel tot niks.

De Kamer heeft nu meer invloed dan het kabinet
Voor een meerderheid in de Tweede Kamer zijn 76 zetels nodig. D66, VVD en CDA komen in de beoogde minderheidsconstructie samen uit op 66 zetels en missen daarmee 10 zetels om zelfstandig te kunnen regeren. Dat gegeven is niet alleen een politieke voetnoot, maar de sleutel tot het cannabisdossier. Het coalitieakkoord bevat over cannabis bewust een open formulering — “we zetten het experiment voort, evalueren het en bepalen op basis daarvan de vervolgstappen” — en juist omdat het kabinet geen meerderheid heeft, kan het die vervolgstappen niet autonoom invullen.

Tegelijkertijd is er in de Kamer een substantieel blok dat regulering en legalisering wél wil. Partijen die expliciet inzetten op legalisering beschikken samen over 68 zetels. Dat is nog geen meerderheid, maar het betekent wel dat er nog slechts 8 zetels nodig zijn om van het coalitiecompromis een daadwerkelijke beleidsrichting te maken. De doorslag ligt daarmee bij partijen die zich evaluatiegericht en uitvoeringsgericht opstellen. Zodra een deel van dat midden bereid is om mee te bewegen, ontstaat er een werkbare Kamermeerderheid die het kabinet kan dwingen om “vervolgstappen” niet langer als open eind te laten bestaan, maar als concrete stap richting structurele ketenregulering.

Woorden zonder geld: de begroting bevestigt het parkeren
Wat daarbij opvalt, is dat de coalitie wél woorden gebruikt, maar geen middelen reserveert. In het coalitieakkoord staat dat het experiment gesloten cannabisketen wordt voortgezet, geëvalueerd en dat “op basis daarvan de vervolgstappen” worden bepaald.  Maar in de budgettaire tabel en bijlage ontbreekt een herkenbare financiële vertaling van die vervolgstap. In de doorrekening zien we intensiveringen op nationale veiligheid, DJI en rechtsstaat, maar geen afzonderlijke post die duidt op voorbereiding van structurele ketenregulering of op een traject richting legalisering.

Dat is beleidsmatig veelzeggend. Als een kabinet werkelijk een vervolgstap wil zetten, zie je dat doorgaans terug in capaciteit, uitvoering en middelen. Het ontbreken daarvan betekent dat “vervolgstappen bepalen” in de praktijk een lege formulering kan worden: zonder budget, zonder projectmatige verankering en zonder politieke verplichting kan het kabinet na de evaluatie opnieuw kiezen voor vertraging.

Er ligt een verantwoordelijkheid bij partijen die in hun programma’s spreken over regulering en legalisering, en die het experiment niet zien als eindstation maar als opstap. Het experiment gesloten cannabisketen kent een eindigheid en bevat een afbouwfase. Als het kabinet in het coalitieakkoord schrijft dat het experiment wordt voortgezet, geëvalueerd en dat “op basis daarvan de vervolgstappen worden bepaald”, dan betekent dat dat het kabinet zich niet vastlegt op een structurele vervolgstap, maar de keuze openlaat tot het moment van evaluatie en het kabinetsstandpunt.

Juist omdat de evaluatie geen vooraf vastgelegde “slaagcriteria” kent, is de formulering in het coalitieakkoord mager. Het onderzoek meet veel en breed: van volksgezondheid en veiligheid tot criminaliteit, overlast en de vraag of een gesloten keten de illegale markt kan vervangen. Maar het is nergens vooraf vastgelegd welke uitkomst als “geslaagd” geldt en welke politieke consequentie daar dan uit moet volgen. Daarmee is “evalueren” geen besluitvormingsmechanisme, maar een informatiebron. Tegen die achtergrond zegt de coalitiezin “we zetten het experiment voort, evalueren het en bepalen op basis daarvan de vervolgstappen” vooral dat het kabinet zich niet vastlegt. Zonder richtinggevende keuze blijft het dus mogelijk dat zelfs bij positieve uitkomsten geen structurele stap volgt, maar slechts uitstel, tijdelijke verlenging of uiteindelijk afbouw en terugval naar de oude gedoogsituatie.

De Wet experiment gesloten coffeeshopketen geeft het experiment een vaste looptijd. In artikel 4 lid 1 staat dat de uitvoering van het experiment een looptijd heeft van vier jaar na de startdatum. Daarna wordt het experiment binnen maximaal zes maanden afgebouwd. In datzelfde artikel staat ook dat verlenging mogelijk is, maar alleen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) en maximaal met één jaar en zes maanden (artikel 4 lid 1 Wet experiment gesloten coffeeshopketen).

Omdat het kabinet niet pas op het einde kan beslissen wat er met het experiment gebeurt, bevat de wet een harde deadline voor de evaluatie. In artikel 11 lid 3 staat dat de Begeleidings- en evaluatiecommissie de evaluatie moet afronden en het evaluatieverslag aan de ministers moet sturen uiterlijk acht maanden vóór het moment waarop het experiment eindigt (artikel 11 lid 3 Wet experiment gesloten coffeeshopketen). Als wordt uitgegaan van een startdatum van 7 april 2025, dan eindigt de experimenteerfase na vier jaar op 7 april 2029 en moet het evaluatieverslag dus uiterlijk 7 augustus 2028 worden aangeboden.

Vervolgens is er ook een termijn voor de reactie van het kabinet. In artikel 12 staat dat de ministers binnen vier maanden na ontvangst van het evaluatieverslag het evaluatieverslag én het kabinetsstandpunt daarover naar de Staten-Generaal moeten sturen (artikel 12 Wet experiment gesloten coffeeshopketen). Als wordt uitgegaan van het uiterste moment waarop het evaluatieverslag binnen moet zijn (7 augustus 2028), dan betekent dit dat het kabinet het evaluatieverslag en het kabinetsstandpunt uiterlijk 7 december 2028 naar de Tweede en Eerste Kamer moet sturen.

Het kabinetsstandpunt is daarbij niet alleen een simpele “ja/nee” over verlengen. Het kabinetsstandpunt gaat over de uitkomsten van de evaluatie en over welke gevolgen het kabinet daaraan wil verbinden. Wel is het zo dat de wet de mogelijkheid om binnen dit experiment te verlengen strikt begrenst: verlenging kan alleen via een AMvB en is maximaal één jaar en zes maanden (artikel 4 lid 1 Wet experiment gesloten coffeeshopketen).

Tot slot staat in de wet dat het kabinet een AMvB (bijvoorbeeld over verlenging) niet meteen definitief kan vaststellen zonder de Kamer vooraf te betrekken. In artikel 13 staat dat een ontwerp-AMvB eerst aan de Staten-Generaal moet worden overgelegd en dat de voordracht voor vaststelling pas kan plaatsvinden vier weken daarna (artikel 13 Wet experiment gesloten coffeeshopketen). Een AMvB wordt niet aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer zoals een wet, maar via de voorhangprocedure kan de Kamer het ontwerp bespreken en politiek beïnvloeden.

Belangrijk is dat een AMvB alleen ziet op de vraag of het experiment binnen de wettelijke grenzen wordt verlengd. Voor structurele voortzetting van een gesloten en gereguleerde keten na afloop van het experiment is een nieuw wetgevingsproces nodig: een wetswijziging of nieuwe wetgeving voor coffeeshops en cannabis. Als de maximale verlenging wordt benut, loopt het experiment door tot 7 oktober 2030. Uiterlijk vóór die datum moet er dan een nieuwe structurele gesloten coffeeshop ketenwetgeving in werking zijn getreden. Als die wet er niet is, volgt terugval naar de oude gedoogsituatie en verdwijnt de gesloten, gereguleerde keten.

Tijd om nu te leveren
De publicatie van het coalitieakkoord laat vooral zien waar de rem zit. Maar het laat óók zien waar de ruimte zit. Een minderheidskabinet kan het cannabisdossier niet op slot zetten met één nette zin, hoe bestuurlijk die ook klinkt. Omdat dit kabinet een minderheid is, ligt de ruimte niet in het coalitieakkoord, maar in de Kamerinstrumenten. Dat is geen theorie: partijen die tegen het experiment zijn laten nu al zien hoe dat werkt. De ChristenUnie stuurt niet via “vervolgstappen”, maar via de begroting. Met een begrotingsamendement wordt voorgesteld om middelen voor het experiment te verlagen, juist om afbouw in gang te zetten. Voor partijen die regulering wél willen geldt hetzelfde principe, maar dan de andere kant op. Zij kunnen “vervolgstappen” al vóór 2028 vastpinnen door niet te wachten op het eindverslag, maar parallel aan de looptijd van het experiment wetgeving voor te bereiden. Moties kunnen daarbij worden gekoppeld aan tussentijdse rapportages, bijvoorbeeld door vast te leggen dat het kabinet tijdig scenario’s publiceert voor de periode na het experiment en dat bij positieve trends op veiligheid en volksgezondheid de voorbereiding van structurele wetgeving daadwerkelijk wordt gestart. Daarbij is geld en capaciteit geen detail, maar een randvoorwaarde. Door nu middelen vrij te maken voor het uitwerken van scenario’s, juridische vormgeving en uitvoeringstoetsen, kan worden voorkomen dat structurele wetgeving straks onder tijdsdruk moet worden ontworpen, doorgerekend en ingevoerd. Daarmee wordt “vervolgstappen bepalen” een voorbereid traject, in plaats van een haastklus aan het einde.

Want als we dat niet doen, weten we precies waar we over vier jaar weer staan: opnieuw in het midden, opnieuw met dezelfde achterdeur, en opnieuw met dezelfde politieke tekst die vooral bedoeld was om niemand te laten verliezen.

Redactie BCD, 2 februari 2026

Bond van Cannabis Detaillisten

Nieuws en kenniscentrum voor overheid en ondernemers

Witbolstraat 4
1032 LD Amsterdam
Nederland
+31 (0)6 868 752 31
info@coffeeshopbond.nl