Afgelopen week ontstond er in de media veel discussie naar aanleiding van een artikel in The Lancet Psychiatry. Nieuw onderzoek zou aantonen dat cannabis met een hoog THC-gehalte de kans op een psychose enorm vergroot. We vroegen twee gerenommeerde deskundigen op het gebied van drugsonderzoek om een reactie. Conclusie: het onderzoek deugt van geen kanten.

Voordat ik verder inga op de wetenschappelijke argumenten van professor Wim van den Brink en drugsdeskundige Peter Cohen, die laten zien wat er mis is met het onderzoek, geef ikeerst even een korte schets van de onderzoeksopzet.

Het gaat om een uitgebreid onderzoek onder leiding van de Londense psychiater Marta di Forti. De deelnemers kwamen uit Nederland (Amsterdam, Gouda en Voorburg), Groot-Brittannië, Italië, Spanje en Brazilië. Er deden 901 mensen mee die voor het eerst een psychose hadden gehad. De controlegroep bestond uit 1237 mensen zonder psychose. Beide groepen waren ongeveer gelijk verdeeld qua geslacht, leeftijd en etniciteit. Allen werden bevraagd over hun cannabisgebruik en het gebruik van alcohol en andere recreatieve drugs. Wanneer zij cannabis gebruikten, werd ook gevraagd naar de soort. Vervolgens checkten de onderzoekers in een Europese database hoe hoog het THC-gehalte van die betreffende soort was. Ook keken zij naar de gemiddelde percentages cannabis die in die landen zijn aangetroffen. Op die manier werd bepaald of de cannabis een laag (<10%) of een hoog THC-gehalte (>10%) had.

THC-gehalte onbekend

Om maar meteen met dat laatste te beginnen. De toekenning van het THC-gehalte van de cannabis die de deelnemers gebruikten is in dit onderzoek niet in een laboratorium gemeten. De deelnemers konden zelf aangeven welke soort zij dachten te gebruiken. In alle andere landen (behalve Nederland) gaat het dan om cannabis die zij op de illegale markt aanschaften en/of die zij zelf produceerden. En daar gaat het meteen al mis. Hoe weet iemand welke soort hij gebruikt? Het punt is immers dat de naam van een soort weinig zegt over het THC-gehalte. Nog los van het feit of het inderdaad om die soort gaat, zijn er allerlei factoren medeverantwoordelijk voor het uiteindelijke THC-gehalte. Ter vergelijking: de medicinale kwekers van Bedrocan hebben er jarenlang over gedaan om een stabiele soort met gestandaardiseerde waarden te produceren.

Daarnaast zijn de data in de Europese database waar de onderzoekers gebruik van maakten ook weinig betrouwbaar. De database bevat gemiddelde percentages van THC en andere werkzame bestanddelen die in cannabis in de verschillende landen zijn aangetroffen. In de meeste landen gaat het dan om cannabis die in beslag is genomen door de politie. In Nederland schaft het Trimbos-instituut jaarlijks verschillende cannabisproducten aan bij coffeeshops om vast te stellen wat de gemiddelde percentages werkzame bestanddelen in cannabis zijn. Het bronmateriaal waarop de gemiddelden zijn gebaseerd verschilt dus. Daarnaast is er discussie over de wijze waarop die percentages zijn vastgesteld. Er bestaat immers nog geen gestandaardiseerde manier voor het meten van THC en andere werkzame bestanddelen. Laboratoria gebruiken verschillende meetinstrumenten. De uitkomsten over de percentages kunnen daardoor enorm verschillen. Dat bleek ook toen het laboratorium waar het Trimbos-instituut de cannabisproducten liet testen nieuwe apparatuur had aangeschaft. Ineens kwamen er heel andere percentages uit.

THC – controles

Kortom: de onderzoekers kunnen niet weten wat het THC-gehalteis op basis van wat we weten over de wijze waarop het THC-gehalte in dit onderzoek is bepaald.Zij voerden geen extra controles uit op de methode die zij gebruikten om het THC-gehalte te bepalen. Dat had bijvoorbeeld gekund met behulp van laboratoriumtests.

Selectie deelnemers

Een ander probleem met dit onderzoek is de wijze waarop de deelnemers zijn geselecteerd. De groepen zijn niet ‘random’ tot stand gekomen. Hierdoor is het onmogelijk om dit onderzoek te herhalen (wat een belangrijke voorwaarde is voor wetenschappelijk onderzoek). Cohen legt uit dat er grote verschillen kunnen bestaan tussen landen en specialisten bij het vaststellen of iemand voldoet aan de in dit onderzoek gekozen voorwaarden voor een ‘psychose’. In de vijf landen waren veel verschillende personen betrokken bij de vaststelling van een ‘psychose’ waardoor er grote twijfel bestaat of de mensen die in de psychosegroep terecht kwamen op dezelfde gronden zijn gekozen.Als je dit op een wetenschappelijk verantwoorde manier had willen doen, dan had een en dezelfde specialist moeten bepalen of iemand in de psychosegroep terechtkwam.

Voor de controlegroep heeft men verschillende methodieken gebruikt omdat het lastig is om aan voldoende mensen te komen. Nog los van de herhaalbaarheid, is het onduidelijk in hoeverre deze groep vergelijkbaar is met de psychosegroep. De gemeten verschillen tussen de twee groepen kunnen daardoor aan allerlei andere factoren liggen. De twee groepen zijn volgens van den Brink gemaakt met een bepaald verwachtingspatroon in het achterhoofd. Zo werden mensen met een psychiatrische aandoening uitgesloten in de controlegroep. Waarom daarvoor is gekozen, wordt niet uitgelegd.

Causaal verband

Verschillende onderzoeken laten zien dat er een verband is tussen cannabisgebruik en het optreden van psychoses. Maar, er is nooit aangetoond dat het gebruik van cannabis (met een hoog THC-gehalte) tot psychoses leidt. Een ander recent onderzoek laat juist het omgekeerde zien: mensen met psychotische klachten zijn eerder geneigd cannabis te gebruiken als een vorm van symptoombestrijding. De onderzoeksgroep van Marta di Forti gaat uit van een causaal (=oorzakelijk) verband tussen het gebruik van cannabis met een hoog THC-gehalte en het ontstaan van psychoses. Zij stellen dat dit verband flinke gevolgen heeft voor de geestelijke gezondheidszorg en de volksgezondheid. Uitgaande van die causaliteit stellen zij dat het aantal psychosegevallen in Amsterdam maar liefst met 50% zou afnemen wanneer het percentage THC in cannabis onder de 10% zou blijven. Dat is een ferme uitspraak.De onderzoekers claimen dat ze de benodigde analyses hebben gedaan om hun resultaten te controleren. Van den Brink meent echter dat de onderzoekers onvoldoende kritisch naar hun resultaten hebben gekeken: “Als je zo’n afwijkend resultaat vindt, is het gangbaar om je af te vragen of het onderzoek juist is uitgevoerd en de berekeningen kloppen.”

Erfelijkheidsfactoren niet meegenomen

De resultaten voor Gouda en Amsterdam zijn bijvoorbeeld heel anders. In Gouda zou het aantal psychoses met 12% afnemen wanneer het THC-gehalte in wiet wordt verlaagd. Dat zou betekenen dat de cannabis die in Gouda wordt verkocht minder sterk is dan de cannabis die in Amsterdam wordt verkocht. Bedenkelijk is ook dat de onderzoekers niet hebben gevraagd naar het voorkomen van psychiatrische aandoeningen in de familie. Van den Brink wijst erop dat schizofrenie voor 80% wordt verklaard door erfelijkheidsfactoren. Dat betekent dat het ontstaan van een psychose ‘slechts’ voor 20% verklaard kan worden door omgevingsfactoren. Daarbij komt dat 31% van de patiënten die meededen in deze studie helemaal geen cannabis gebruikten. En waarom is het CBD-gehalte niet meegenomen in dit onderzoek? Er zijn aanwijzingen dat cannabis met een hoog CBD-gehalte juist een afremmend effect heeft op het ontstaan van psychoses.

Alles bij elkaar opgeteld is de stelling dat het aantal psychoses sterk zal afnemen wanneer het THC-gehalte tot 10% wordt beperkt onhoudbaar. Alles wijst erop dat deze onderzoeksgroep naar een bepaalde conclusie heeft toegewerkt. Dat is jammer, want het onderwerp is belangrijk en goed te onderzoeken. Met de kennis die we nu hebben is de regulering gebaat bij variëteit in cannabissoorten. Het is goed mogelijk dat het aantal psychosen afneemt wanneer er meer soorten op de markt zijn met een relatief hoog CBD-gehalte.

Nicole Maalsté, 31 maart 2019